Chromosomen condenseren en spindelvezels beginnen zich te vormen. De chromosomen worden gecombineerd met de homoloog-partner. De homologe paren wisselen vervolgens fragmenten in een proces dat bekend staat als oversteken.
Slidkalniņš: 2
METAFASE I
Spilvezels verbinden de chromosoomparen en verplaatsen ze naar een rij op een lijn die bekend staat als de metafaseplaat.
Slidkalniņš: 3
ANAFASE I
De cel verlengt naarmate de homologe delen uit elkaar worden getrokken door de spilvezels. De zusterchromatiden blijven bij elkaar.
Slidkalniņš: 4
TELOFASE I
Er vormen zich twee nieuwe kernen en de spilvezels breken af. De cellen worden gescheiden door een proces dat bekend staat als cytokinese.
Slidkalniņš: 5
PROFEET II
Chromosomen condenseren en spindelvezels beginnen zich te vormen.
Slidkalniņš: 6
METAFASE II
Spilvezels hechten zich vast aan de chromosomen. De chromosomen staan opgesteld langs het midden van de cel, op een punt dat bekend staat als de metafaseplaat.
Slidkalniņš: 7
ANAFASE II
De cel strekt zich uit naarmate de zusterchromatiden door de spilvezels uit elkaar worden getrokken.
Slidkalniņš: 8
TELOFASE II
Uit elke haploïde cel vormen zich twee nieuwe kernen. De spilvezels breken af. De gameten zijn van elkaar gescheiden door een proces dat bekend staat als cytokinese.